Passages uit het boek
1
HOOFDSTUK 1
Almere, zomer 2007
Weer op de vlucht
Mijn krullen zitten verstrikt in de coniferen en onder mijn tenen kraakt een takje. Ik schrik en kan een gil net binnenhouden. Al mijn spieren staan op scherp. Mijn keel voelt droog, maar ik durf niet te slikken. Ik heb geen idee hoelang ik hier al zit. Het kunnen een paar minuten zijn, maar ook een half uur. Hopelijk krijgt buurvrouw Diana niet het idee haar rottweiler uit te laten en komt haar puberzoon voorlopig niet thuis. Ik weet nu al niet meer waarom ik in mijn pyjama en op blote voeten naar beneden ging. Dan hoor ik een auto starten, ik krimp ineen en zie m’n knokkels om de hengsels van mijn meegegriste schoudertas wit worden. De wagen rijdt weg. Ik bijt op mijn lip en beef.
*
Het leek een gewone dinsdag. De lucht was strakblauw en de zon scheen volop. Tot dat telefoontje in de supermarkt. Een onbekende stem vroeg of ze met de voorzitter van de Koerdische Culturele Vereniging van Almere sprak. Na mijn instemmende antwoord deelde ze me mee dat er morgen een spoeddebat zou zijn en dat ons bezoek aan de Tweede Kamer niet door kon gaan. Ik wilde niet eens weten waar het spoeddebat over ging. Dit bezoek had ik maanden voorbereid: Koerden uit Irak, Iran, Syrië en Turkije zouden komen, net als vertegenwoordigers van politieke partijen zoals mijn eigen KDP.
Snel rekende ik de boodschappen af en reed naar huis. Jalil zat op de bank, met zijn laptop op schoot. Ik wist dat ik hem nu eigenlijk niet moest storen, maar ik wilde ook mijn frustratie kwijt en begon te vertellen. Toen hij na een paar zinnen nog steeds alleen maar naar het beeldscherm keek, trok ik me terug in de keuken. Een uurtje later stond de tafel vol met dampende rijst, groenten, salade en hamburgers van lamsgehakt. Zwijgend laadde Jalil met z’n vork de lepel vol. Hij leek niet eens te proeven wat hij at en zodra zijn bord leeg was, verdween hij weer naar de bank. Ik hoorde de laptop opnieuw opstarten terwijl ik de restjes in de pan bij elkaar schraapte. De laatste hap slikte ik door toen het warme water al in het afwasteiltje stroomde. Behalve de lopende kraan en zijn vingers op het toetsenbord was het stil in huis.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
2
uit:
HOOFDSTUK 3
Qaladze, 1 juli, 1988
Een explosieve huwelijksnacht
(…) Na de rijst, witte bonen in tomatensaus, lam en kip trekken de mannen zich apart van de vrouwen terug. De zussen van Jalil nemen me mee naar het huis van één van hen, iets verderop in het straatje. Ik trek mijn rode trouwjurk uit en hang het in de kast waar ook de andere twee pakken en mijn sieraden achter slot en grendel zijn
opgeborgen. De tweede zus van Jalil heeft een roze nachthemd voor me. Ik begin te vermoeden dat mijn ontmaagding nog een nacht zal wachten en volg de vrouwen de trappen op. We slapen op het dak. Dat wil zeggen: de anderen slapen, ik lig nog lang wakker. Ik denk aan de gebroken spiegel: een kadootje van mijn vriendin en collega Setareh uit het ziekenhuis in Iran. Het zou geluk moeten brengen, maar het is onderweg stuk gegaan en dat is juist een slecht voorteken.
De beelden van de dag staan nog op mijn netvlies en de knallen van de bombardementen twee dagen geleden echoën in mijn oren. Ik druk op mijn ogen om het stil te krijgen in mijn hoofd, maar dan hoor ik ineens vrouwen schreeuwen en gillen naar hun kinderen. Versuft ga ik rechtop zitten. Pas na een paar tellen weet ik waar ik
ben: op een dak. Alleen. De rest heeft zich blijkbaar al in veiligheid weten te brengen. Ik ren de lange trappen af naar beneden maar heb geen idee waar ik naartoe moet. Ik stuif de straat op en dwaal rond, huil en bid hardop. Nooit eerder wist ik zo zeker dat Allah me zou komen halen. Dan hoor ik twee jongens zeggen: moet je die gekke vrouw zien die daar loopt! Me ineens bewust van de indruk die ik nu maak in de stad van mijn man probeer ik zo min mogelijk op te vallen. Ik sla een steegje in en zak neer. De muur van het huis is koel tegen mijn rug en ik leg mijn hoofd op mijn knieën. Ik ben nog steeds buiten adem, maar blijf hardop bidden. De aarde beeft, mijn hart ook. De tranen wassen mijn wangen.
Door het geluid van vallende raketscherven en muren die donderend naar beneden komen heen, hoor ik zware stappen naderen. Ik druk mijn hoofd verder tussen mijn knieën en hoop dat niemand me ziet. Dan voel ik een slap, klam handje in de mijne en een greep die steeds steviger wordt. Iemand noemt mijn naam en vraagt waarom ik daar alleen zit. Het is Jalil die me is komen zoeken. Ik bijt op m’n lip terwijl hij me omhoog trekt en sla mijn ogen neer. Hij zegt alleen dat ik hem moet volgen. Na een paar minuten zijn we in het huis van zijn ouders. Tante Merot en Jalil’s zussen horen zijn woede gelaten aan. Jalil zegt dat hij bij mij zal blijven omdat de anderen blijkbaar niet op mij kunnen passen. Zijn vader schreeuwt terug en dwingt hem te schuilen in de moskee, net als altijd. Ik zal bij de andere vrouwen in de schuilkelder van de buren onderduiken. Ik meng me niet in de ruzie en laat me met tegenzin richting een kelder duwen.
De fanoz wiebelt op het ritme van de vallende gebouwen en verlicht nauwelijks de stenen traptreden. Op de grond ligt een versleten Perzisch tapijt. Het is de meest luxe schuilkelder waar ik ooit ben geweest, maar ook de meest volle. Het lijkt wel alsof alle vrouwen en kinderen uit de buurt hier nu zitten te zweten. Ik ruik de windjes die de kinderen laten ontsnappen en hoor het snurken van sommige vrouwen. Zij zijn er zo aan gewend dat hun stad wordt gebombardeerd dat ze overal doorheen slapen. Ik zal morgen op de tweede dag van mijn huwelijk wallen onder mijn ogen hebben.
Het lijkt wel alsof de zon steeds moediger wordt naarmate er minder knallen klinken. Straal voor straal wekt ze ook ons in de schuilkelder. Ik kan niet wachten tot ik mijn benen kan strekken. Er zit al uren iemand op mijn schoot omdat een oudere vrouw wilde liggen en we daar ruimte voor moesten maken. In een kleine optocht lopen we naar het huis van een zus van Jalil. Het water in mijn gezicht wast de sporen van deze explosieve huwelijksnacht weg.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
3
uit:
HOOFDSTUK 10
Purmerend, oktober 2007
Afscheid van mijn borst
(…) Mijn oogleden zijn zo zwaar dat ze steeds vanzelf weer dichtvallen. Ik hoor geschuifel om me heen. Tussen mijn wimpers door zie ik iemand een infuus op een standaard hangen. Ik voel een thermometer in mijn oor gaan en een band om mijn bovenarm die steeds strakker gaat zitten. Een vriendelijke stem vraagt of ik wakker ben
en net als ik denk dat ik die stem herken, zak ik weer weg. Ik hoor dezelfde persoon zeggen dat de drain z’n werk goed doet. Een pen krast op een status. Een vertrouwd geluid, alleen is het dit keer mijn status. Nu kan ik even mijn ogen wat langer openhouden en denk dan dat ik toch nog droom. Het is Ludy! Ik lach en fluister voor me
uit dat Allah groot is. Ludy vertelt dat ze toevallig avonddienst heeft en wil weten of ik zin heb in bezoek. Ik vraag als eerste naar Ellen. Zij komt met een grote grijns de kamer in en maakt een grap die ik maar half begrijp. Ik lach een beetje terug, maar ben zo moe. Ik wil het liefste verder slapen. Als Jalil en Sham ook binnenkomen, kan ik
mijn oogleden al niet meer optillen. Heel in de verte hoor ik Jalil zeggen dat ik zeker te arrogant ben om met ze te praten. Maar in zijn stem hoor ik opluchting. Dan zak ik weg in een half waak half slaap toestand waarin ik één van de angstigste momenten uit mijn leven opnieuw beleef.
*
Ik zat aan het ziekenhuisbed van Jalil. Voorzichtig pakte ik zijn hand waar een infuusnaald in was geprikt. Mijn andere hand legde ik nóg voorzichtiger op zijn omzwachtelde hoofd. Ik probeerde niet te kijken naar zijn gezicht, want er zat nog bloed op zijn slapen en zijn ogen puilden bijna uit de kassen, zo gezwollen waren ze. Hij sliep,
maar nadat ik een paar keer zijn naam riep, schraapte hij z’n keel. Voor het eerst in ons huwelijk zag ik tranen over zijn wangen rollen. Hij fluisterde dat hij vast de rest van zijn leven blind zou blijven. Ik probeerde hem wat te kalmeren, zei dat zijn verwondingen me erg meevielen en dat hij helemaal de oude zal worden. Het liefst kuste ik hem, maar ik was te verlegen. Jalil’s broer Kemal stond aan de andere kant van het bed. Hij kwam me gisteravond met de laatste bus opzoeken om te vertellen dat Jalil in het ziekenhuis van Rania lag. Samen namen we een taxi naar de stad. Ik wilde mijn man zo snel mogelijk zien. Het verhaal van de verpleegkundige klonk nog na in mijn hoofd: dat een boer op het land schoten hoorde en een auto wel vijf keer over de kop zag slaan. Jalil werd uit de wagen geslingerd en lag bewusteloos en onder het bloed op de grond. De boer zag ook dat één van de banden aan flarden was.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
4
uit:
HOOFDSTUK 21
Amsterdam, 21 maart 2011
De zon lijkt gedoofd
De narcissen in onze voortuin bloeien en in een vaas staat een enorme bos tulpen, gekregen van mijn buren. Ik kan er alleen niet van genieten. Vandaag is het Newroz. We zijn uitgenodigd voor een concert in Leiden, maar ik heb het afgezegd. Mijn hoofd staat niet naar leuke dingen en al helemaal niet naar andere mensen. De telefoon
gaat over en in mijn display zie ik dat het moeder is. Ze weet nog van niets, maar ik kan ook nu niet met haar praten. Ik voel geen leven meer, ook al kreeg ik twee weken geleden goed nieuws van Bayan uit Koerdistan. Op 8 maart, Internationale Dag van de Vrouw, tekende eindelijk ook de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag
voor Pena Center.
Mijn sadaqa in de winkel waar ik mijn map had laten liggen, heeft niet geholpen. Net als dat het blijkbaar geen zin heeft gehad dat Jalil vier jaar geleden een waterput heeft laten slaan in een buurdorp van Qaladze. Toen ik de diagnose borstkanker kreeg, belde ik hem en deed hij deze goede daad. Hij geloofde, zoals zoveel anderen, dat als
al die mensen in het dorp voor me zouden bidden, ik zou blijven leven. Hoe lang ik nu nog zal leven, weet ik niet.
Vanochtend drong Rasul weer aan op een bedevaart naar Mekka. Hij ziet de terugkeer van mijn kanker als teken dat ik me nu écht moet bekeren tot de islam. Ik snap niet waar hij het over heeft, juist door mijn ziekte ben ik dichterbij Allah dan ooit. Dat ik op een andere manier geloof dan hij, betekent niet dat ik geen goede moslim
ben. Ik noemde het werk voor Pena mijn eigen bedevaart, maar die uitspraak ergerde hem. Hij vindt dat ik me tot Allah moet richten en niet tot andere mensen. Het maakt me boos en tegelijk verdrietig dat hij kanker nog steeds ziet als een straf. Ik zie het als pech en als een samenloop van omstandigheden. Aan moeder heb ik nu ook niet
zoveel. Zij is het eens met Rasul en snapt niet waarom ik niet op hadj wil. Jalil is de enige naaste die me nu troost, samen met de Oxazepam die ik sinds onze terugkeer uit Koerdistan al verschillende keren heb moeten slikken. Die strip heb ik al die weken in Koerdistan met geen vinger aangeraakt. Alleen al daar zijn, werkt als een kalmeringsmiddel. Meestal heb ik er ook minder last van andere kwaaltjes.
